Friendship’s Corner
Als deze muur kon spreken, zou hij veel te vertellen hebben.
P.B. Clayton
Toen majoor Paul Slessor in 1929 namens Lord Wakefield het voormalige Talbot House, eigendom van Maurice Coevoet, kocht, was het volgende opschrift, tijdens de oorlog geschilderd op een muur van de inkomhal, nog steeds zichtbaar:
Dit bord is bedoeld voor zij die met vrienden in contact wensen te komen. Die kunnen dan mogelijk een berichtje ontdekken dat voor hen achtergelaten werd. Gebruik a.u.b. de voorziene kaartjes of stop de boodschap in een enveloppe voor je die in het rek plaatst.
P.B. Clayton
De achtergelaten berichtjes werden dan onmiddellijk uitgetypt en op lijsten aan het prikbord gehangen onder de rubriek ‘Plaats voorbehouden voor Vriendschap’. Het geschilderde opschrift is reeds lang verdwenen, maar één van de lange lijsten die erbij hingen, vindt er nog altijd een plaatsje. Ze bevat namen en boodschappen van onderofficieren en soldaten die van deze ‘Friendship’s Corner’ gebruik maakten. Op basis van het komen en gaan van de eenheden waartoe deze mannen behoorden, kunnen we aannemen dat de lijst dateert van de period mei – november 1917, toen Talbot House volgens stichter Tubby Clayton haar ‘zenit’ bereikte. Twee mannen noteerden overigens een datum op hun berichtje. Op 17 juni 1917 liet geniesoldaat T. Mullen, Royal Engineers, een boodschap achter voor zijn neven Joe en Willie, en precies een maand later, deed kanonnier William Noble, 7 Siege Battery, Royal Garrison Artillery, hetzelfde voor zijn vriend, geniesoldaat John Collins.
“The rendez-vous list”
De lijst, die overigens zelf de sporen draagt van een bewogen verleden, bevat 118 namen van manschappen die deel uitmaakten van niet minder dan 84 verschillende eenheden. De Royal Artillery, Royal Engineers en het Labour Corps zijn sterk vertegenwoordigd, wat ook niet hoeft te verbazen gezien zij cruciale steun verleenden in de aanloop naar en tijdens de Slag bij Mesen en de Derde Slag bij Ieper. Ook infanteristen en mannen die dienden bij medische eenheden lieten boodschappen achter voor familieleden of vrienden, evenals één iemand van het Royal Flying Corps. Veel van die eenheden maakten een vreselijke tijd door. Soldaat John Bullock, 254 Tunnelling Company, verloor niet minder dan 44 kameraden in die periode. Veertien van hen liggen begraven op Lijssenthoek Military Cemetery. Niet te verwonderen dat hij in Talbot House eventjes probeerde te ontsnappen aan die waanzinnige oorlog in de hoop “in contact te komen met vrienden of familieleden die in de streek waren”.
Jammer genoeg zou de oorlog ook zijn tol eisen onder zij die boodschappen hadden achtergelaten. Vijf onder hen sneuvelden in de Ieperboog. De eerste drie liggen in dezelfde rij in Vlamertinghe New Military Cemetery:
- Kanonnier Harold Stooke, 256 Brigade, Royal Field Artillery, die de hoop koesterde zijn broer Bill te zien, sneuvelde op 21 augustus 1917, 23 jaar (V.E.4);
- Kanonnier A.V. Machin, 217 Siege Battery, R.G.A., kwam om op 29 augustus 1917 (V.E.25);
- Kanonnier Robert Villiers, 19, van dezelfde eenheid, overleed de volgende dag (V.E.34). Naast zijn naam op de lijst schreef iemand in potlood “killed in action”;
- Kanonnier John Law, 278 Siege Battery, R.G.A., die zijn broers Ernest en Herbert in Talbot House hoopte te ontmoeten, sneuvelde op 26 september 1917, 30 jaar, en ligt begraven op The Huts Cemetery (Dikkebus, VII.D.12);
- Voerman Harry Page, 155 Brigade, R.F.A., 21 jaar, overleed op 26 oktober 1917, en kreeg zijn laatste rustplaats op St. Julien Dressing Station Cemetery (I.A.15).
Soldaat H. Hicks, 299 Siege Battery, wilde contact zoeken met aalmoezenier Basil Plumptre, van de 1st Surrey Rifles. Die was evenwel om het leven gekomen op 16 juli 1917 door een verdwaalde granaat die in zijn dug-out kwam gevlogen. Hij ligt begraven op La Clytte Military Cemetery (II.F.36).
Twee anderen die berichtjes hadden achtergelaten, zouden het volgende jaar sneuvelen:
- Kanonnier Frank Tilley, 11 Hampshire Regiment, 24 jaar, op 30 september 1918. Hij wordt herdacht op paneel 6 van het Vis-en-Artois Memorial;
- Kanonnier Robert Cook, 126 Siege Battery, R.G.A., raakte zwaargewond en werd naar Engeland geëvacueerd. Hij overleed op 4 oktober 1918 in het militair hospitaal van Netley en ligt op de nabijgelegen begraafplaats.
Ook naast de eerste naam op de lijst, die van kanonnier S. Morrison, ‘D’ Howitzer Battery, 210 Brigade, R.F.A., krabbelde iemand in potlood “killed in action”, maar niemand met die naam en van die eenheid is in de database van de Commonwealth War Graves Commission terug te vinden. Tijdens de oorlog was de beschikbare informatie vaak schaars, tegenstrijdig of van horen zeggen. Zo noteerde Tubby verschillende keren “R.I.P.” + een locatie naast een naam in het communieregister van Talbot House. In minstens twee gevallen hadden de bewuste soldaten het overleefd. Zich van geen kwaad bewust, nam de aalmoezenier hun namen op in ‘The Calendar of Remembrance’ (1923), die tentoongesteld werd in zijn parochiekerk All-Hallows-by-the-Tower in Londen. Beiden kwamen zelfs nog voor in de gedrukte editie van 1928, de zogenaamde ‘Liber Vitae – The Roll of the Elder Brethren’. Soldaat Ernest Strickland, 2 Sherwood Foresters, kwam pas te overlijden in 1959, en soldaat Arthur Jarmain, 7 Australian Field Ambulance, in 1972…
Andere aantekeningen in potlood op de lijst zijn onder meer “in Blighty” (= soldatenjargon voor Engeland) bij de naam van kanonnier T.C. Aldersey, en “wounded” bij Sgt. H.N. Copsey. De eenzame geniesoldaat R. Jarman, 6 Bn. Canadian Railway Troops, nam de moeite niet om zijn boodschap op een kaartje te schrijven, maar noteerde die in grote letters direct op de lijst aan het prikbord: “Friends please write”.
En ze vonden elkaar…
Niet minder dan 16 mannen op de lijst waren op zoek naar hun broers, anderen naar neven, oude makkers of dorps- of stadsgenoten. Gelukkig kwamen hun hoopvolle verwachtingen niet zelden uit. Los van deze ene bewaarde lijst, konden we reeds 9 broederparen identificeren die samen wat tijd in Talbot House konden doorbrengen. Nog veel meer voorbeelden zijn er van mannen die andere familieleden, buren, medescouts of leden van hun boys’ clubs konden ontmoeten.
In minstens één geval moest Tubby het toeval een handje helpen om zeker te zijn dat twee broers elkaar daadwerkelijk in Talbot House zouden kunnen treffen:
Op een dag kreeg Talbot House een afgedwaalde soldaat-korporaal over de vloer; Quin heette hij. Heel opgewonden speurde hij de rendez-vouslijsten af. Tot zijn grote verbazing ontdekte hij dat zijn eigen broer pas de dag voordien in het Huis was geweest. Sinds 1914 hadden ze elkaar niet meer ontmoet. “Of hij soms niet gevonden kon worden en hierheen gehaald?”
Ik schoot in actie en ging naar de Plaatscommandant. Daar vernam ik dat het bataljon van zijn broer net zuidwaarts vertrokken was, via Abele. Ik nam een seinformulier en stelde (een beetje samenzweerderig) een hoogst officieel telegram op, gericht aan de adjudant van het bataljon van de broer. Daarin werd met de grootste aandrang gevraagd soldaat Quin onmiddellijk terug te sturen naar het kantoor van de Plaatscommandant, en dit zonder vermelding van reden. Ik vraag me af wat er allemaal door het hoofd van de adjudant moet zijn gegaan. Maar het werkte. Nog diezelfde namiddag ontmoetten beide broers elkaar in Talbot House. En maar goed ook, want één van hen zou kort nadien sneuvelen.
“Grand old Sgt. McInnes”
We mogen redelijkerwijs aannemen dat de bewaarde namenlijst uitgetikt werd door Sgt. Horace McInnes, in Tubby’s woorden “de oudste Britse inwoner van Poperinge”. McInnes diende aanvankelijk bij het 17th Field Ambulance. In december 1915 werden drie soldaten en één onderofficier van deze eenheid naar Talbot House gestuurd om er deel uit te maken van het personeel. Waarschijnlijk gebeurde dit door tussenkomst van Neville Talbot, hun vroegere aalmoezenier. McInnes was allicht één van hen. Toen zijn eenheid in augustus 1916 richting de Somme trok, werd de sergeant gedetacheerd naar de Intelligence Service en bleef hij in Poperinge. In Talbot House woonde hij op zondag de theekransjes en de misdiensten bij, en gaf hij er ook Franse les. In 1917 bood hij zich vrijwillig aan om Tubby twee avonden per week te helpen met secretariaatswerk en als typist. In juli van dat jaar werd hij lid van het Talbot House Committee dat toezicht hield op de dagdagelijkse gang van zaken in het Huis. Tot Tubby’s grote spijt, vertrok McInnes uit Poperinge in december 1917. Een vervanger kon hij nooit meer vinden.
Na het einde van de oorlog nam de aalmoezenier de typmachine mee naar Engeland. Ze werd nog gebruikt bij het opstarten van de Toc H-beweging, maar uiteindelijk afgedankt met de woorden “shell-shocked en totaal onbruikbaar”, waarbij Tubby zich afvroeg “hoe Sgt. McInnes het er ooit zo lang mee had kunnen uithouden…”
++++++++++++++++++++
Alle namen en boodschappen op de bewaarde lijst kunnen opgezocht worden in het digitale ‘gastenboek’ (database) op de website van Talbot House, door het woord ‘Friendship’ in te geven in de zoekbalk ‘Algemeen’.
Jan Louagie