The Green Book
Op 15 december 1915 schreef Tubby Clayton, de oprichter van Talbot House om 3 uur 's morgens de volgende brief naar zijn moeder:
Liefste moeder,
Een nogal ongebruikelijk tijdstip om een brief te schrijven, zelfs voor mij – maar een bepaald onderdeel van het werk in huis verklaart waarom ik vanavond nog op ben. Ik heb zojuist mijn eerste twee vermoeide reizigers naar bed gestuurd, na soep en koekjes: dit is de opening van ons divisie-rusthuis, waar officieren die in de vroege uurtjes met de trein komen en gaan, terechtkunnen voor avondeten, een bed en ontbijt.Vanavond, omdat het de eerste keer was, ben ik naar het station gegaan en heb ik deze twee gered van een koude nacht in de zogenaamde wachtkamer. We kunnen twaalf mensen herbergen, en vanaf over een week, als het bekend is, zal het Huis elke nacht vol zitten. Beiden waren enorm dankbaar en waren bijna tot tranen toe geroerd door de pantoffels die voor hen klaarstonden.
Toen Tubby, een aalmoezenier bij de 6e Divisie, vier dagen eerder de deuren van Talbot House had geopend, was het de bedoeling om het overdag te runnen als recreatiecentrum voor de troepen en ’s nachts als rustplaats voor officieren die met de verloftreinen vertrokken of terugkwamen van verlof. Van elke officier werd vijf frank gevraagd voor kost en inwoning, volgens het Robin Hood-principe: van de rijken nemen om aan de armen te geven. Op deze manier dekte de bijdrage van de officieren de kosten van het recreatiegedeelte van het Huis voor de manschappen (en een deel van die vijf frank ging naar het fooienfonds van het TH-personeel).
In de woorden van Tubby waren dat de dagen van eenvoud. Officieren sliepen op veldbedden in de voormalige slaapkamers van de kinderen van de familie Coevoet (die naar een veiliger plek waren verhuisd) en ook op de overloop van de tweede verdieping die naar de kapel leidde. Dit betekende ook dat degenen die de vroege communiedienst om 6.30 uur wilden bijwonen, ervoor moesten zorgen dat ze niet op de manschappen trapten die probeerden wat slaap te krijgen.
De slaapkamers waren gedeeld, met uitzondering van één kamer die de General's Room heette. Tubby beschrijft dit in zijn memoires als volgt:
De kleinste kamer van het huis werd ambitieus omgetoverd tot de General's Room Er paste slechts één bed in. Dat was echter van ongeëvenaarde kwaliteit: een echt, ronduit eerlijk en degelijk exemplaar met vier poten en een ijzeren frame, en zelfs een matras. Wat kon een man zich nog meer wensen? Niemand met een lagere rang dan die van veldofficier sliep in dat bed. Majoors streden erom, kolonels speelden erom, en brigadiers hielden vol dat iemand anders het harder nodig had. We hadden één set lakens die gedurende de hele oorlog bij dit bed hoorde, en de gelukkige winnaar was volkomen vrij om te beslissen of hij (aangezien één laken in de was moest) liever boven of onder het andere laken wilde slapen. (Majoor Bentinck)
Het Huis groeide steeds verder. Binnen enkele weken reikte haar werkterrein al ver buiten de 6e Divisie. Er was plaats voor 12 man, maar op 29 januari 1916 brachten 26 mannen de nacht door in het Huis. Sommigen sliepen op de kale vloerplanken, anderen lagen half slapend in stoelen totdat hun gelukkiger collega’s opstonden voor het ontbijt en de verloftrein. En op de avond van 18 mei had Tubby maar liefst 76 officieren onder zijn hoede en de volgende ochtend meer dan 50 voor het ontbijt. Het personeel kon bijna niet meer bijhouden, vertelde hij zijn moeder. Het was duidelijk dat de situatie onhoudbaar was geworden. In juni kreeg Neville Talbot, hoofdkapelaan van de 6e Divisie en medeoprichter van het Huis, de opdracht om de activiteiten van Talbot House uit te breiden naar een officiersclub, een nevenvestiging verderop in de straat. Dit pand staat vandaag de dag nog steeds bekend als Skindles. In augustus van dat jaar werd Talbot echter gepromoveerd en, met tegenzin, overgeplaatst naar de Somme, waardoor, in Tubby’s woorden, de officiersclub een (geestelijke) mislukking werd.
Tijdens deze allereerste periode, toen TH dienst deed als nachtrustplaats, werd er een gastenboek bijgehouden. Het was een heel eenvoudig schrijfboek (dat Tubby in een plaatselijke winkel had gekocht), het soort notitieboekje dat op basisscholen werd gebruikt om huiswerk en aantekeningen in over te schrijven. Het had een groene kaft en stond bekend als ‘The Green Book’. Wie het Huis als nachtrustplaats gebruikten, werden verzocht hun naam erin te noteren.
“Het is een van de vele leuke dingen aan deze plek dat je vrijwel iedereen in de Salient wel eens tegenkomt”, schreef Tubby aan zijn moeder.
Men kan inderdaad gerust stellen dat „vrijwel iedereen in de Salient” in dit boek vertegenwoordigd is, dat slechts van 15 december 1915 tot 7 april 1916 in gebruik was. Gedurende die periode bevonden zich ongeveer 150 militaire eenheden in de Salient. Maar liefst 140 daarvan zijn in het boek vertegenwoordigd. De handtekeningen (in totaal bijna 1.300), voornamelijk in potlood, zijn afkomstig van 1.093 personen. (Sommigen brachten 2, zelfs 3 nachten door in het Huis). Uit de gegevens van de Commonwealth War Graves Commission blijkt dat 265 van hen (dat is 24 %) later tijdens de oorlog is gesneuveld. Ze zijn begraven of herdacht op meer dan 120 begraafplaatsen en monumenten aan het Westfront: 77 van deze mannen in Vlaanderen, 172 in Frankrijk, 12 in het Verenigd Koninkrijk, 1 in Duitsland, 1 in Ierland, 1 in Italië en 1 zelfs in het verre Tanzania.
Van de mannen die in Vlaanderen senuvelden, staan er 15 op de Menenpoort, liggen er 12 begraven op Lijssenthoek M.C. (Pop), 6 op Tyne Cot in Pass, en de rest op 26 andere begraafplaatsen.
Van degenen die in Frankrijk zijn gesneuveld, staan er 40 op het Thiepval-monument, 8 op het Arras-monument, en nog veel meer op 73 andere begraafplaatsen en gedenktekens.
Terwijl hij bij de verbandposten aan de Somme hielp, zag Neville Talbot officieren en manschappen langskomen die hij eerder dat jaar in Talbot House had ontmoet. In hun brieven aan elkaar deelden hij en Tubby de namen van ‘Talbotousians’ die gewond waren geraakt of gesneuveld waren. Ondertussen was Tubby begonnen met een erelijst, die hij in de kapel had opgehangen en waaraan hij de namen toevoegde van Talbotousians die het niet hadden gehaald. De erelijst hangt er nog steeds.
Maar uit deze lange lijst met namen rijzen ook een aantal vragen. Wie waren deze mannen? En wat had de oorlog voor hen in petto? Ze hadden misschien genoten van een goede nachtrust, – maar wat zou er daarna gebeuren?
Zoals Tubby het tegen zijn moeder zei:
„Het is vreselijk om jongens de hand te schudden die binnenkomen om te zeggen: ‘Tot ziens, Padre, voor het geval ik het niet haal’, en sommigen hebben zo’n duidelijk voorgevoel van de dood.”
Dit gold met name voor
- 2nd Lt. Charles Tisdall, 18 jaar oud; hij tekende het boek op 12 februari 1916 en sneuvelde de volgende dag, neergeschoten door een sluipschutter terwijl hij probeerde een jonge soldaat uit te graven die tijdens de beschieting levend begraven was geraakt.
- Nog eens 6 anderen kwamen om binnen een week nadat ze de nacht in Talbot House hadden doorgebracht; 2 van hen liggen zelfs naast elkaar begraven op de begraafplaats Railway Dugouts (Zillebeke) (luitenant Atkinson en luitenant Edgar)
- 2nd Lt. Edward Hannah, 19 jaar, sneuvelde op dezelfde dag als zijn broer Robert, 22 jaar – beiden staan vermeld op het Tyne Cot Memorial
- Capt. Claude Dashwood stierf vier dagen na de geboorte van zijn zoon.
- Capt. Frederick Smith, die ook de nacht in TH had doorgebracht, schreef op 25 april 1916 een postkaart aan zijn 7-jarige zoon en sneuvelde later diezelfde dag. Hij ligt begraven op de Essex Farm Cemetery.
Naast hun handtekening hebben sommige van deze mannen echter ook voorwerpen achtergelaten die voor altijd met hun naam verbonden zullen blijven. Om maar één voorbeeld te noemen: in januari 1916 kwam majoor Edmund Street van de Sherwood Foresters terug van verlof met een draagbaar harmonium voor Talbot House. In de Goede Week van dat jaar schreef Tubby dat tweede luitenant Godfrey Gardner „goddelijk speelde op de ‘groanbox’ in de Upper Room“. Gardner was organist van de Royal Philharmonic Society en een verbazingwekkend goede muzikant. Zowel Street als Gardner zouden de dood vinden op de slagvelden van de Somme. Hun namen behoorden tot degenen die werden genoemd in de briefwisseling tussen Tubby en Neville.
Sommige namen in het Groene Boek zijn ook verbonden met interessante verhalen die ook voor de bezoekers van vandaag nog steeds relevant zijn.
- Zeven van degenen die het VB ondertekenden (zoals kapitein Agate) behoorden tot de Queen’s Westminster Rifles. Zij hielpen bij bij de verbouwing van de zolder van Talbot House tot een kapel. In de drie jaar die volgden, zouden tienduizenden daar de communie ontvangen, zouden er zo’n 800 worden gevormd en zo’n 50 worden gedoopt.
- TH had ook een zogenaamde ‘Friendship’s Corner’, gelegen in de inkomhal. Daar kon je je naam op een lijst zetten en ontdekken waar familieleden of vrienden gestationeerd waren, en kon je proberen hen te ontmoeten. Dat is precies wat Bertram en Harold Hubbard deden. Beide broers tekenden op 1 april 1916 het ‘Green Book’; Bertram zou later sneuvelen. Harold, die aalmoezenier was bij de Guards Division, overleefde de oorlog. Na de oorlog werd hij benoemd tot ‘aalmoezenier van de koning’ en zou hij bisschop van Whitby worden. Inmiddels hebben we al negen andere broersparen geïdentificeerd die elkaar in Talbot House hebben ontmoet.
Hoewel het oorspronkelijke plan was om Talbot House overdag aan de manschappen en ’s nachts aan de officieren toe te wijzen, verliep het in de praktijk niet helemaal zo. Ook overdag stroomden er officieren binnen, en ook manschappen en onderofficieren bleven er overnachten, zoals uit het VB blijkt. Met andere woorden: Talbot House was werkelijk, zoals het uithangbord trots verkondigde, „Every Man’s Club”.
Zijn ware karakter komt duidelijk naar voren in de volgende anekdote uit de memoires van Tubby:
Op een dag was ik bezig met iets wat ik misschien beter niet had kunnen doen – vloeren schrobben of iets dergelijks – in het bovenste gedeelte van Talbot House, toen soldaat Pettifer, mijn ordonnans, naar me toe kwam rennen en me vertelde dat er beneden in de hal een ontzettend belangrijke generaal stond, samen met een sergeant. Ik ging naar beneden en probeerde haastig de ontbrekende onderdelen van mijn militaire uniform bij elkaar te zoeken. Toen ik bij de trap kwam, trof ik Lord Plumer aan, de legercommandant. Hij zei tegen me: ‘Bent u Clayton?’ Ik antwoordde: ‘Ja, meneer.’ Toen zei hij: ‘Ik heb deze sergeant hier en ik wil dat u vannacht voor hem zorgt, en onthoud alstublieft dat hij mijn gast is.’ Toen Lord Plumer weg was, wendde ik me tot de sergeant en zei: ‘Hoe is dit gebeurd?’ De sergeant zei tegen me: ‘Nou, het zit zo, padre, mijn verlof was goedgekeurd en ik had het behoorlijk zwaar met al dat lopen; ik was al bijna zo ver gekomen als ik kon, toen ik Lord Plumer zag. Hij zei tegen me: ‘Waar ga je heen, jongen?’ Ik zei: ‘Ik ga met verlof, meneer.’ De legercommandant zei toen: ‘Je hebt voorlopig genoeg gelopen, stap maar in mijn auto; ik denk dat ik een plek weet waar ik je voor de nacht kan onderbrengen.’
Degenen die hun handtekening zetten, kwamen werkelijk uit alle lagen van de bevolking:
Er waren
- romanschrijvers zoals Ralph Mottram en Gilbert Frankau, waarbij laatstgenoemde bijdragen leverde aan het beroemde loopgravenblad *The Wipers Times*.
- dichters zoals Edward Tennant.
- kunstenaars zoals Claud Fraser (wiens werk te bewonderen is in het IWM).
- topsporter, zoals John Somers-Smith, Olympisch gouden medaillewinnaar, en ook verschillende Engelse, Schotse en Ierse rugby- en cricketinternationals, een bokskampioen, een atleet van internationale faam, enzovoort.
Anderen hadden zeer uiteenlopende beroepen of zouden hun door de oorlog onderbroken of uitgestelde loopbaan voortzetten. Onder de ondertekenaars van het Groene Boek bevinden zich
- 3 universiteitsprofessoren, een beroemde archeoloog, een vooraanstaand historicus, een bekende architect en 2 toekomstige bisschoppen.
- een groot aantal medici die werkzaam waren in de veldhospitalen in de omgeving van Poperinge: sommigen zouden carrière maken als chirurg, psychiater of radioloog.
- een docent van Eton College en maar liefst 35 oud-leerlingen van Eton, van wie sommigen ongetwijfeld zijn voormalige leerlingen waren.
- ook verschillende mannen die na de oorlog hun militaire loopbaan zouden voortzetten; onder hen vier latere generaals die allen een belangrijke rol zouden spelen bij de evacuatie van Duinkerken in 1940.
Men kan met recht zeggen dat achter die uniformen mensen schuilgingen met de meest uiteenlopende achtergronden, uit alle rangen en klassen, en van alle geloofsovertuigingen.
Inmiddels zijn alle namen uit het gastenboek opgenomen in de database van Talbot House, samen met details over hun persoonlijke leven, hun militaire loopbaan en hun band met Talbot House, evenals foto’s. Al deze informatie is toegankelijk via de website van TH. We bewaren ook dossiers over al deze mannen in ons archief. Daarnaast hebben we via andere bronnen, zoals de Com. Roll, nog eens meer dan 3.000 andere Talbotousianen geïdentificeerd. Deze zijn allemaal in de database opgenomen.
Maar wat is er uiteindelijk van het groene boek geworden?
Toen het nachtelijke hostelwerk werd overgedragen aan het latere Skindles, bleef 'the Green Book' achter in Talbot House. Na de oorlog nam Tubby het mee en legde het in de kluis van All Hallows by the Tower, waar hij dominee was geworden. In de hoop meer aandacht en fondsen te werven voor Toc H – de liefdadigheidsinstelling die hij samen met enkele voormalige Talbotousians had opgericht – werd besloten the Green Book tentoon te stellen op de British Empire Exhibition, die in Wembley Park werd gehouden en in 1924 en 1925 twee seizoenen van elk zes maanden duurde, met tientallen gebouwen en paviljoens. Helaas werd het Boek daarna nooit meer teruggevonden – Tubby zei dat hij bijna in tranen uitbarstte vanwege het verlies ervan. Ongeveer 40 jaar later dook het echter weer op en kwam het terug bij Tubby, die er foto’s van liet maken. Na zijn overlijden in 1972 verdween het opnieuw, totdat het in 2002 bij toeval op de bodem van een kartonnen doos werd gevonden en uiteindelijk, 84 jaar nadat het was verdwenen, weer terugkeerde naar Talbot House. Het is echt een wonder dat het bewaard is gebleven.
Het Groene Boek is niet alleen een uniek historisch artefact, maar – en dat is net zo belangrijk – het is al vele jaren een bron van inspiratie voor allerlei projecten van Talbot House: tentoonstellingen, evenementen, concerten, publicaties, presentaties, rondleidingen, podcasts, blogs enzovoort. Op deze manier willen we ervoor zorgen dat de nalatenschap van de mannen die meer dan een eeuw geleden hun naam in het Groene Boek hebben achtergelaten, voortleeft.
Daarom hebben we bij het Departement Cultuur een aanvraag ingediend om het Groene Boek op te nemen in de lijst van ‘Topstukken in Vlaanderen’ (Topstukkenlijst). We kunnen alleen maar hopen dat de commissie die onze aanvraag zal beoordelen, openstaat voor onze argumenten.
Meer dan een eeuw later blijft het Groene Boek een stille getuige van die unieke tijd en degenen die die tijd hebben meegemaakt. Door het te bewaren, blijven hun verhalen – en de geest van het Huis – tot ons spreken.
The Green Book
The Harmonium - 2nd Lt. Godfrey Gardner - Major Edmund Street
The Friendship's Corner